Het is donderdag middag 8 januari. In de rechter onderhoek van de computer op mijn werk zie ik de cijfers 1730. Dit betekent dat het half zes is geworden en dat mijn werkdag erop zit. Voldaan sluit ik mijn computer af terwijl iemand in mijn oor mij verteld dat het nooit te laat is om je leven te leven. Voor vele zal dit nummer veel betekenis hebben. Voor mij is de meerwaarde slechts dat het nummer fijn om naar te luisteren is en de gedachte dat het, al zou het er maar een zijn, wellicht geholpen heeft aan een betere wereld. Ik ben tevreden met mijn leven en ik heb het gevoel dat ik al leef!

Op straat loop ik lachend met een collega, nadat we hebben gecontroleerd of het ijs sterk genoeg is om erop te staan (nee dat is het niet), naar het station. Naast mijn werk zit het bedrijf Telfort. Bij Telfort werkt een blinde jongen. Ik zie hem geregeld naar werk toe gaan met zijn stok. Vandaag zag ik hem naar het station lopen. Hij liep aan de andere kant van de weg. Blinde en dove mensen hebben mij altijd gefascineerd. Ik vind het mooi om te zien dat iemand met zo’n handicap zo goed kan functioneren en meegaan in de “gewone” maatschappij. Tevens valt het mij op dat gehandicapte mensen bijna altijd lachen en veel meer plezier in het leven lijken te hebben. Het laat zien hoe materialistisch wij eigenlijk zijn.

Vandaag fascineerde de jongen mij nog meer. Normaal loopt hij naast een meisje die hem helpt door middel van haar arm om de zijne te steken en hem zo te begeleiden. Blijkbaar was zij er vandaag niet want de jongen liep alleen. Vol genot keek ik hoe hij behendig maar toch onwennig alle obstakels ontweek door zijn stok voor zich heen en weer te slingeren. Hij liep recht op een groot werktuig af. Vlak ervoor raakte de stok het werktuig, en hij stopte. Hij ging er voorzichtig omheen. Wow, knap hoor. Ik bedacht me door die actie dat hij waarschijnlijk nog niet zolang blind is omdat hij er anders niet zo onwennig omheen ging. Verderop stond een hekje. Deze voelde hij pas laat waardoor hij niet precies wist hoe hij eromheen moest. Lichtelijk geobsedeerd keek ik hoe hij dit obstakel moeizaam ontweek. Het lukte. Hoera voor de jongen. Ik merkte dat ik stiekem een glimlach op mijn gezicht had. Zo iets kleins kan een mens gelukkig maken! Ik keek voor ik het station in ging nog even om naar de jongen. Hij liep nog steeds prima langs het bioscoopgebouw. Ik moest het toegeven: ‘In mijn ogen is hij een held’! De metro staat er, rennen!

Yes de metro gehaald, chill! Ik dacht in de metro nog even na over mijn nieuwe held. Ineens bedacht ik me dat het vriest en op de weg allemaal bevroren plassen liggen. Dat voelt zo’n stok niet. Als mijn held over zo’n plas loopt glijdt hij uit en kan hij zich lelijk bezeren. Ik voel me plots schuldig dat ik de jongen niet even geholpen heb. Hoe groot is de moeite om even met hem mee te lopen? Niet! Ik krijg die gedachte niet uit mijn hoofd. De held loopt klungelig over straat en niemand die hem even helpt. Wat voor wereld is dit? Ik verbaas me nog meer over zijn collega’s, waarom helpen die niet? Ik troost me enigszins met die gedachte. Echter maakt dit me alleen nog maar schuldiger. Makkelijk hè naar andere wijzen. Fuck de wereld en zijn collega’s, waarom heb ik niet geholpen? Dat is de vraag!

Hoe vervelend het soms ook is, als je met je vinger naar iemand anders wijst wijzen er altijd drie terug. Ineens herinner ik me de tekst van half zes. “Het is nooit te laat om je leven te leiden”. Deze tekst krijgt ineens een betekenis voor me. Al het niet exact de tekst is vertaal ik de tekst als: ‘het is nooit te laat om je leven te verbeteren’. Als ik mijn held volgende keer weer zie ga ik naar hem toe en vertel hem dat het me spijt dat ik hem vandaag niet geholpen heb. Volgende keer help ik hem, of ik bied het in ieder geval aan! Ironisch dat een blinde jongen mij moet laten zien, wat ik zelf niet zie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *