Van heel ver dringt de wereld langzaam mijn netvlies binnen. Zo, wat een nacht! Heb ik überhaupt gerust? Als ik opzij kijk zie ik dat Emma al uit bed is. Ik heb het niet eens gemerkt. Met een grom die niet de kracht heeft om mijn mond te verlaten, stap ik uit bed. Ik voel me als een marionettenpop zonder meester. Ik heb zelfs moeite om fatsoenlijk op twee benen te blijven staan. Langzaam wankel ik naar de trap, terwijl de geur van gebakken bacon mijn neusholte vult en zowel m’n oogleden als m’n mondhoeken iets omhoog duwt. Oh ja, het is zaterdag.

Wat ben ik brak! Het kost me veel inspanning om m’n voeten fatsoenlijk op de treden te zetten. Beneden zie ik Fleur aan tafel zitten met een handdoek als een tulband om haar haar gebonden en Emma roert in een koekenpan. Een stevig ontbijt zal me goed doen; alles lijkt anders vandaag. Tijdens m’n tocht naar de gebakken eieren brom ik een ochtendgroet die, door gebrek aan volume, in de lucht sterft. Net als ik hem wil herhalen kijkt m’n vrouw van het fornuis naar de trap.
Ligt Pieter nou nog in zijn nest? Blijkbaar heeft ze niet door dat ik inmiddels achter haar sta. Ik besluit om stil op de stoel te gaan zitten en net te doen of ik er al een tijd zit.

Na een aantal minuten, die aanvoelen als een half uur, doorbreek ik de stilte.
‘Nou waar blijft het ontbijt?’ Zeg ik met een grijns. Fleur kijkt op van haar bord en gunt me een vuile blik. Terwijl ze haar ogen weer op haar eten richt, herknoopt ze haar tulband.
‘Nou nou, het was maar een grapje hoor.’ weer die blik. ‘Hé, ik bedoelde het helemaal niet lullig.’ Zeg ik vriendelijk, omdat ik echt niemand wilde kwetsen.
‘Hou je bek!’
‘Pardon?’ met grote ogen kijk ik m’n vrouw aan. Emma fatsoeneert haar ochtendjas en draait zich om. Ze steunt me duidelijk niet. ‘Zo praat je niet tegen je vader! Ben je nou helemaal gek geworden? Naar je kamer! En ik wil je pas weer zien als je….’
‘HOU JE BEK!’ I… na… wat… ma… o… Ik weet gewoon niet wat ik moet denken. Ik kijk weer naar Emma en zie dat ook zij me geërgerd aankijkt. Ineens voel ik me machteloos, alsof de grond onder me wegzakt en ik me nergens aan vast kan houden. Als ik van de tafel wegloop begin ik te huilen.

Op de weg naar boven kom ik mezelf tegen. Ik blijf stil staan en kijk tegen me op. Ik zie alles vanaf een heel ander perspectief en realiseer dat ik mezelf niet ben. Dit moet snel veranderen.

‘Pieter doe niet zo gek en ga rechtop lopen’ Roept Emma vanaf de keuken. Ze weet duidelijk niet hoe ze moet reageren als ze haar man op handen en voeten naar de eettafel ziet lopen. Fleur lacht en zegt: ‘Doe niet zo raar papa.’ Emma begint ook te lachen.
‘Euhw euhw!’ Euhw euhw euhw!’
Haha! Papa, hou op. We weten dat je een geintje maakt’ er rolt een traan over haar wang.
‘Euhw euhw euhw!’
‘Nou Pieter, zo is het genoeg, kom zitten je eten wordt koud.’ Zegt Emma tussen het lachen door. Pas als haar man naar de hondenbak loopt, z’n hoofd erin steekt en gulzig van de brokken met water begint te eten, verdwijnt haar lach.

‘IIEEUWW!!!’ gillen Fleur en Emma in koor. Ik spring in de rondte en stoot met m’n kop tegen de muur.
‘Wat is hier allemaal aan de hand?! Waarom eet m’n man hondenbrokken en springt de hond in het rond?’ roept Emma, terwijl ze met beide handen twee lokken haar uit haar hoofd lijkt te trekken. Ik moet zo snel mogelijk wakker worden

. Ik bijt in m’n poot en krap m’n oor kapot, maar de nachtmerrie gaat door. Ik heb Emma nog nooit zo bang en verdrietig gezien. Waarom word ik niet wakker? Ik probeer uit te leggen wat er aan de hand is, maar realiseer me dat er alleen maar geblaf uit m’n bek komt. Om het nog even erger te maken zie ik ook dikke tranen langs de wangen van Fleur biggelen. Met wazige ogen kijkt ze naar de man die haar vader moet voorstellen en stort zich met volle overgaven in de armen van haar moeder.
‘Mama wat gebeurt er allemaal? Ik ben bang!’ Niet alleen bij mij schiet er een brok in m’n keel. De hond is duidelijk nog niet gewend aan zijn nieuwe lichaam en kokhalst totdat het eten op de vloer ligt. Als z’n mond leeg is neemt hij een nieuwe hap en stikt weer bijna.
‘Rustig maar lieverd. Het komt allemaal goed. Papa is in de war, we hadden vanochtend ruzie en ik heb iets heel naars tegen hem gezegd, hij doet dit om mij op m’n fout te wijzen. Ik praat zo met hem en dan komt alles weer goed. Ga maar even naar je kamer, dan los ik het wel op’. Ik ben trots op hoe ad rem en verstandig Emma dit afhandelt. Een leugen om iemand anders bestwil, dat is echte liefde. Het heeft duidelijk effect. Fleur droogt haar tranen met de mouw van haar truitje en loopt naar de trap. Als ze vlakbij me is kijk ik naar haar rood doorlopen ogen en voel een hand over m’n kop wrijven.
‘Rustig maar Itan, ik was ook bang, maar het komt goed.’

Een paar minuten later is Emma tot rust gekomen en praat tevergeefs tegen de hond. Het ziet ernaar uit dat ik voorlopig nog niet wakker ga worden en ga op het tapijt liggen. Zo, onder de bank mag best wel eens goed gezogen worden. Het is een hel om mijn vrouw zo verdrietig te zien en vooral dat ik er niks aan kan doen. Ik sta op, loop naar haar toe, leg mijn kop op haar schoot en trek één wenkbrauw op. Hé dat kon ik eerst nooit.
‘Ja Itan, het is voor jou ook gek allemaal he?’ De aai over mijn kop voelt fijn.

Na een half uur heeft Emma zich bij de situatie neergelegd, trekt snel wat kleren aan en haalt Fleur.
‘Kom lieverd, we moeten met je vader naar de dokter.’ Je hoort dat ze probeert te verbergen dat ze een brok in haar keel heeft. Ze trekt haar jas aan en pakt sleutels uit haar tas. Fleur trekt een dik vest van AC/DC aan en volgt haar naar de auto, zonder iets te vragen. Ik kijk door het raam en zie de hond in mijn lichaam bij de achterbak blijven staan, ondanks dat Emma de voordeur openhoudt. Als tenslotte de achterklep open gaat en hij naar binnen springt, zie ik dat zijn handen bloeden van het lopen over de stenen. De auto rijdt weg en ik voel me beroerd, maar realiseer dat ik er maar beter het beste van kan maken.

De klok geeft vijf over twaalf weer. Normaal zou ik nu met de hond gaan lopen. Het kost me moeite om de voordeur te openen, maar uiteindelijk lukt het. Ik ren naar de buren en tref ze niet thuis. Dat dacht ik al. Met een vaart ren ik het rondje wat ik normaal met Itan loop. Zoals verwacht zie ik meneer Van Straten lopen met dat keffertje van hem. Ik ren op het mormel af en bijt in haar staart.
‘Hier voor alle keren dat je me wakker hebt gehouden’ blaf ik en loos m’n blaas tegen de broekspijp van m’n buurman. Wat is het heerlijk om een hond te zijn.

  • schrijfopdracht: verplaats je in een dier

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *